Bereik, stemming en chromatiek

Bereik, stemming, chromatiek en verlagingen Er bestaan veel verschillende soorten panfluiten, variërend in vorm, materiaal, bereik en stemming. Een standaard instrument bestaat niet.  In Europa echter wordt het Oost-Europese model, herkenbaar aan de vleugelvorm en de enkele rij pijpen, het meest bespeeld. Traditioneel staat dit instrument in G-groot, klinkend. Dit instrument wordt  veel gebruikt voor Roemeense volksmuziek. Het bereik van dit instrument is van G1 tot en met G4 Een in meerdere mate  voorkomende stemming is C-groot. Dit instrument wordt gebruikt voor klassieke muziek om niet te hoeven octaveren, het instrument heeft namelijk 4 pijpen meer ten opzichte van de fluit in g. Het bereik van de panfluit in C-groot is van C1 tot en met G4. Dit zijn geen harde grenzen, tonen kunnen worden verlaagd en d.m.v. flageoletten kan zelfs g of as 5 worden bereikt. Hierover in latere hoofdstukken meer. Er bestaan ook grotere instrumenten, tot 2 octaven lager. Deze instrumenten worden niet besproken in dit tractaat. Als u gaat schrijven voor de panfluit, informeert u dan altijd wat het bereik van het instrument is voor degene wie u schrijven gaat, een fluit in G heeft een kleiner bereik dan een fluit in C. Ook is de stemming van de fluit van invloed op de klank en de chromatiek. Het spreekt  voor zich dat een toonladder in c makkelijker te realiseren is op een fluit  in C dan in G en andersom.   Chromatiek: De panfluit is dus een diatonisch instrument. Toch is chromatiek mogelijk, d.m.v. verlagingen. Verlagingen kunnen op verschillende manieren worden gemaakt: 1. De hoek veranderen waaronder in een pijp wordt geblazen, door de onderkant van het instrument naar voren te bewegen. 2. De lipspanning verlagen. 3. De luchtsnelheid verlagen. 4. Het instrument dieper in de lip duwen, waardoor de bovenkant wordt afgedekt. 5. Een achterwaardse beweging met de kaak maken. 6. De bovenakt van de pijp afdekken met een vinger.   Laatstgenoemde methode kan in enkele gevallen een oplossing zijn, toch zal normaliter een combinatie van de 5 eerste methodes worden gebruikt om een verlaging te realiseren. Natuurlijk is het zo dat als de fluit rechter wordt gehouden of zelfs de onderkant naar achteren wordt lipspanning en luchtsnelheid worden verhoogd, de toon hoger wordt. Dit kan in praktijk nooit een verhoging van een halve toon bewerkstelligen, pas vanaf  het 4e octaaf kan een halve toon verhoogd worden, hoogstens een kwart toon vanaf het tweede octaaf. Derhalve kan op de panfluit chromatiek alleen worden gerealiseerd door te verlagen. Een kruis (#) wordt in principe dus gespeeld als een mol op de hogere naastliggende pijp.

ais  bes

Op een panfluit kunnen dus alleen de diatonische intervallen die voorkomen in de toonladders in C of a (bij fluit in C) worden gespeeld. Alle andere zijn afgeleiden daarvan, die worden gerealiseerd door intonatie. Dit leidt tot het merkwaardige fenomeen dat op een panfluit in sommige gevallen een kleine secunde qua afstand en beweging eigenlijk een prime is, een kleine terts een secunde is, een grote terts een kwart of een secunde een terts.

ais - b     bes - b
Kleine secunde is prime

b - cis  b - des  
Grote secunde is terts

gr 3     verminderde kwart
Bovenstaand voorbeeld laat zien dat een grote terts op E op een panfluit een verminderde kwart is, dit interval wordt gespeeld op de pijpen E en A.

kl3  overmatige secunde
Voor de duidelijkheid dit voorbeeld hoe een kleine terts op Gis op een panfluit wordt gespeeld, namelijk op de pijpen A en B.

Een panfluitist is dit gewend, en leest in principe net zo makkelijk in de toonsoort D als in F. Enharmonische notatie is dus niet nodig.  Een verlaging op zichzelf is niet moeilijk om te maken. Wel moet voor de lagere tonen van de grote pijpen meer moeite worden gedaan om te verlagen dan voor de hogere tonen uit de kleine pijpjes. De beweging  voor de verlaging wordt groter naarmate de pijpen groter worden. Maar in principe bepaald de context of een verlaging moeilijk is of niet. De afwisseling tussen verlaagde en onverlaagde noten bepaald wat verlagingen betreft de moeilijkheidsgraad. Soms is de verlaging zelf niet het probleem, maar de niet-verlaging. Dat is in het geval wanneer er meer tonen verlaagd zijn dan niet. Maar een chromatische toonreeks snel spelen is gewoon lastig, maar aan de andere kant zeker niet onmogelijk. Natuurlijk is snelheid hierin altijd een dominante factor. In sommige gevallen kan een vinger op de pijp uitkomst bieden. Een triller Ais – A bijvoorbeeld kan alleen worden gemaakt met behulp van een vingerbeweging op de aangeblazen pijp. De fluitist moet dan natuurlijk wel de tijd hebben om de vinger te plaatsen en weg te halen, bij het verplaatsen van de handen is het instrument uit balans. Dit geldt ook voor triller als C – Des. Deze techniek vereist in het lage register wel een fluitist met grote handen. De lage pijpen zijn erg lang en de hand moet de onderkant van de fluit vast kunnen houden. Vaak kan dat met  de duim, terwijl de wijs of middelvinger dan kan gaan dekken. Maar als de pijp langer is dan de lengte van duim en wijsvinger houdt het verhaal min of meer op. Een triller Bes –  B (of ais – b), kan op twee manieren worden gemaakt. Met de vinger techniek, of door de pijpen b en c te bespelen en die te verlagen. Een Ces is een B.  

tril bes-b       tril ces - bes

Deze enharmoniseringen hebben dus gevolgen voor de beweging die moet worden gemaakt. Op een fluit in C moet 1 pijp worden overgeslagen als een toonladder van G/e wordt gespeeld.

e fis g  e ges g   

Maar ook hier kan weer op een manier worden geënharmoniseerd zodat het “gat” tussen e en g (fis) wordt weggewerkt, nl. de E op een F spelen en die verlagen.

fes ges g

Of laatsgenoemde versie een optie is voor de uitvoerder, hangt af van de snelheid, articulatie, dynamiek en klankkleur. Verlagingen hebben nl. de eigenschap dat ze zachter zijn, en een andere klankkleur hebben dan onverlaagde tonen. Er zal altijd een afweging moeten worden gemaakt welke parameter het belangrijkst is. Als er veel tijd beschikbaar is een open klank nodig is en er portato moet worden gespeeld, zal de keuze vallen op het spelen van de E op een E pijp. Echter als het snel, zacht en legato moet zijn zal de voorkeur uitgaan naar optie twee, een E op de F pijp.