Flageoletten

Flageoletten/Bovetonen/Overblazen

De panfluit bestaat uit een rij gedekte buizen. De ondekant is dicht. Een gedekte pijp heeft alleen de oneven boventonen. Dit geeft een bijzondere klank. Dit principe raakt de kern van de panfluit. Als je muziek maken wilt met een gedekte pijp zijn er slechts twee opties mogelijk: een panfluit of een orgel. Immers, als je gaten in de buis maken zou waardoor die verlengd/verkort kan worden met de vingers zal de pijp niet klinken want dan is die lek. Als er dan wel onder een andere hoek wort geblazen zodat de pijp weer wel klinkt (dat kan), klinkt het instrument als een dwarsfluit.. De handicap van het instrument, het springen tussen de pijpen, is dus ook haar grote kracht. Want omdat je verplicht bent om voor bijna iedere noot een pijp te maken, is er ook de mogelijkheid om voor iedere pijp de optimale omstandigheden te maken, bv qua diameter. Daarom is de klankleur zo egaal ove alle registers van het intrument. Daarom kan er ook heel zacht worden gespeeld in de hoogte (als er tijd is). Daarom is de klank van het instrument zo puur.

Zoals ik al schreef heeft de panfluit alleen de oneven boventonen, hetgeen zichtbaar is in het hieronderstaande voorbeeld.

boventonenreeks panfluit c

In dit voorbeeld zijn aleen de boventonen afgebeeld die ook dmv overblazen kunnen worden verkregen. Er zijn verschillende manieren om de boventonen/flageoletten te laten klinken. Methode 1 is nogal bruut: erg hard blazen.

 

Methode twee is een heel kleine maar ontspannen embouchure maken, zo kan makkelijk tussen de boventonen worden gesprongen. Deze methode is veel delicater dan de eerste en zeer bruikbaar voor het maken van muziek.

Het beschrijven van het karakter en gedrag van de boventonen is complex, er zijn veel parameters. Wat in ieder geval geldt is:

-Boventonen en flageoletten hebben over het algemeen de kleur die ik “lontano” zou noemen.

-Hoe groter de pijp, hoe meer boventonen kunnen worden laten gehoord. Op de kleinste pijpen is ternauwerdood de eerste boventoon haalbaar.

-Hoe groter de afstand tussen een grondtoon en boventoon, hoe moeilijker die te realiseren is.

-Hoe groter de afstand tussen de grondtoon en de boventoon, hoe sterker (harder) die boventoon klinkt.

-Op een verlaging is het makkelijker de eerste en tweede boventoon te krijgen. Daarna wordt het weer schimmiger, omdat steeds harderr moet worden gebalzen om de boventoon te laten klinken moet er ook steeds meer lucht de pijp in en uit kunnen. Dat kan moeilijker op het moment dat de pijp wordt afgedekt door de verlaging.

De verlagingen maken het gebruik van de boventonen echt interessant, nl. niet alleen de grondtoon verlaagd, maar ook de flageolet, met alle (positieve) gevolgen van dien. De 2e boventoon van de C is op een panfluit een E. Ten eerste is deze vals (te laag), ten tweede is deze nogal sterk, want er moet hard geblazen worden om de toon te verkrijgen en de valsheid te corrigeren. (Als er harder wordt geblazen, stijgt de toonhoogte). Veel makkelijker wordt het als er een Es van mag worden gemaakt. De dynamische mogelijkheden nemen toe en de toon klinkt puurder. Natuurlijk is dit ook intonatie, maar deze wordt verkregen door de positie van de fluit e.d. te veranderen en niet door overdreven hard te blazen. Bij de kleinste buisjes kan de eerste boventoon alleen worden verkregen door te verlagen. D4 bijvoorbeeld zou als eerste boventoon A5 moeten hebben, maar die laat zich als flageolet niet horen, de eerste is As5.

Door het overblazen te combineren met verlagingen ontstaan er ongelooflijk veel mogelijkheden. Sommige toonhoogten kunnen op wel 13 verschillende pijpen tot klinken worden gebracht. Alle manieren hebben natuurlijk een eigen kleur. Die op hun beurt ook weer kunne worden gekleurd door bijvoorbeeld een vibrato of flatterzunge etc.

De (on)mogelijkheden verschillen sterk per speler, en ook niet iedere fluit kan hetzelfde.

De mogelijkheden variëren van dag tot dag, of van uur tot uur. Als er veel extreem hogee flageoletten worden gespeeld achter elkaar, raakt de embouchure van de fluitist te vermoeid en is het niet meer mogelijk om de boventonen te spelen.

Wat nu volgt is het volledige bereik van de panfluit. Hierin zijn opgenomen de flageoletten en de verlagingen. Onder iedere noot staat de nummers van de pijpen waarop de betreffende noot gespeeld kan worden.