Sprongen, intervallen

Sprongen zijn al zijdelings besproken in het vorige hoofdstuk. Toch valt er meer over te vertellen. Weer bepaalt de context grotendeels of iets moeilijk is of niet. Natuurlijk is het zo dat hoe verder de te bespelen pijpen uit elkaar liggen, hoe groter het risico wordt dat dit fout gaat. Maar als er veel tijd is om een sprong te maken, en de twee tonen niet met elkaar zijn verbonden is er eigenlijk geen probleem. Het verhaal wordt alweer complexer als er meer om de te maken sprong heen gebeurd. Snelheid: Neem het akkoord van A Groot:
A – Cis – E – A

3kl A groot

De 3 te maken intervallen zijn hier: kwart, secunde, kwart. Indien het ritme constant en dus alle sprongen in dezelfde tijd moeten worden gemaakt, moet de panfluitist de snelheid waarmee hij/zij het instrument beweegt variëren. Immers een secunde is een kleinere sprong dan de voorafgaande kwart, het instrument moet nu langzamer bewegen. Vervolgens moet het instrument weer sneller worden bewogen om het laatste interval te maken. Dus hieruit blijkt dat niet alleen de grootte van de sprongen op zich de moeilijkheids factor bepaald, maar juist ook het verschil in grootte en dus de verschillende snelheden. Nog een voorbeeld:

toonreeks 2 op a

Om deze noten te spelen hoeven er geen sprongen worden gemaakt, maar er is wel degelijk een verschil in snelheid. De cis en d worden op dezelfde pijp gespeeld, als zo ook de as en a. In dit geval ligt de moeilijkheid op het moment dat de snelheid waarmee de fluit beweegt naar stilstand wordt gebracht en op het moment dat de fluit weer moet bewegen. Overigens is het bovenstaande voorbeeld zeer goed te spelen.

Richting van de sprongen: Ook hier geldt dat de context bepaald of iets moeilijk is of niet. Of een sprong nu stijgend of dalend is maakt niet veel uit op het moment dat er geen dynamiek of articualtie voorgeschreven is. Ik heb het over het interval sec met een constant ritme.

toonreeks op A

Zoals altijd is ook hier de tijdspanne waarin iets gebeuren moet belangrijk voor de moeilijkheidsgraad. Het bovenstaande voorbeeld is zeer goed te spelen, maar de moeilijkheid ligt op het moment nadat de terts sprong b – cis is gemaakt, dus hogere snelheid vergeleken met voorgaande interval, waarna niet alleen een langzamere beweging moet worden gemaakt, maar ook nog in tegengestelde richting voor de dalende secunde. Daarna is een lastig moment de stijgende secunde, zelfde snelheid maar andere richting en vervolgens de prime Cis-D (worden bijden op D pijp gespeeld), dus stilstand. Die stilstand is vaak ook wel weer een voordeel, het geeft de fluitist de tijd om weer in balans te komen. De op papier lastiger categorie is die waarin de richting wordt afgewisseld. Natuurlijk zijn er opeenvolgende sprongen in dezelfde richting die moeilijker zijn, vooral daar waar de grootte van de sprongen varieërt dan opeenvolgende sprongen waarin de richting wordt afgewisseld zoals bv. een triller. Het wordt anders als er een sprong groter dan een secunde moet worden gemaakt, de afstand wordt groter en de tussenliggende buis/buizen mogen niet klinken. De combinatie van twee (of meer) opeenvolgende grote sprongen in tegengestelde richting zou natuurlijk het moeilijst zijn. Gek genoeg delen juist veel panfluitisten  de ervaring dat als een octaaf sprong wordt gevolgd door een octaaf sprong naar het begin punt makkelijker is dan twee octaaf sprongen in dezelfede richting. Hierin spelen meerdere factoren een rol.