Aanblazen en articulatie

Articulatie.

Diverse aanzetten van een toon zijn mogelijk door verschillende posities van de tong. Hoe verder de tong naar voren in de mond komt, hoe sterker de aanzet. Behalve bij een aanzet met de letter L, of een aanzet die daar op lijkt. Een veel gehoorde aanzet is die waar de tong zichtbaar tussen de lippen is. Deze aanzet is heel sterk en zeer geschikt voor staccato passages. Voor legato passages is deze aanzet volledig ongeschikt, de luchtstroom wordt lang geblokkeerd in vergelijking tot BV de aanzet met L, waarbij gewoon lucht stromen blijft. Als pijpen naast elkaar liggen is er meestal helemaal geen aanzet met de tong nodig, dus alleen dan kan een echt legato klinken.   De articulatie wordt dus in verregaande mate beïnvloed door de grootte van de intervallen, octaven en snelheid. Alle sprongen hebben gevolgen voor de articualtie. Fysiek is het onmogelijk om een sprong waartussen 1 of meerdere pijpen liggen te binden, dan komt  het aan op suggestie. Als de sprong niet direct wordt opgevolgd door een volgende sprong groter dan een secunde kan nog behoorlijk goed worden vermeden een waarneembare stilte te laten horen tussen de twee tonen.  Indien er wel een sprong volgt zal eerder de stacctao natuur van het instrument hoorbaar worden, een logische consequentie van het feit dat een panfluit uit een rij pijpen bestaat. Natuurlijk hangt dit erg af van het tempo. Op het moment dat de fluitist tijd genoeg heeft om weer in balans te komen, geldt het bovenstaande niet, in dat geval is de opvolgende gewoon weer een beginpunt.

opeenvolging met verschillende intervallen

In het hierbovenstaande voorbeeld zal het, afhankelijk van het tempo, moeilijk zijn legato te spelen. Toch is voor secundes in sommige gevallen ook een aanzet met de tong gewenst. Bijvoorbeeld als een kleine secunde op 1 pijp moet worden gespeeld. D-Des bijvoorbeeld. Als de fluitist de luchtstroom niet zou stoppen zou er een glissando hoorbaar zijn. Dit kan worden opgelost door heel zachtjes een G, als in Charles de Gaulle, met de tong te maken. Heel eventjes is er geen lucht, de fluitist beweegt snel de fluit naar een gekantelde positie. Dit kan gebeuren op zo’n manier dat het legato lijkt, maar dat is het natuurlijk niet. Het spreekt voor zich dat hoe groter een sprong wordt hoe moeilijker het is om legato te spelen. Portato is eigenlijk altijd mogelijk. Behalve daar waar weinig tijd is om een grote sprong te maken naar een hoge toon en weer terug. Niet alleen de sprong vergt tijd vanwege de afstand waardoor de te spelen toon korter kan klinken, maar ook is een hoge luchtsnelheid nodig om de hogere toon te kunnen laten klinken. In dit geval zal een aanzet met de tong ver voor in de mond een oplossing zijn, het resultaat is een recht begin van de toon die verder kort en relatief luid zal klinken. Andersom, een grote sprong naar een lage toon en weer terug, werkt het anders. In  dit geval is niet zozeer luchtsnelhied nodig, maar een grote hoeveelheid lucht. De aanzet van de lage toon zal eerder klinken als een H. Opgemerkt moet worden dat de grote pijpen trager reageren dan de kleine pijpjes, snelheid is makkelijker te realiseren op de korte/hoge pijpen dan op de lage. Staccato is op een panfluit altijd mogelijk.